• Bel: (0548) 859 690
  • info@nelettavanheuven.nl




IS DEZE STOEL VRIJ? (9) Lol en leed in Café Floors

Als de zaterdagmarkt ten einde loopt, begint de stemming er goed in te komen bij Café Floors, roemrucht café sinds 1897. Ankerplaats van de advocatenbroeders Anker, die hun geweten hier incidenteel ontsmetten met jenever. Floors is vanouds pleisterplaats voor mannenbroeders, die hun doordeweekse beslommeringen komen afreageren op elkaar en het biljart.  Bobo’s van familiebedrijven, GoAheadEagles, UD en journalisten van de Stentor. Het befaamde potspel is niet meer, biljarttafel vervangen door een knusse Chesterfieldbank. Maar Bep bedient nog, met de Perzische tapijtjes als link tussen verleden en heden.
Er klinken lachsalvo’s op van een lange tafel met mannen in correct-casual.
De Drijvers-tennisgroep, die hier steevast op zaterdag neerstrijkt om haar broederschap met een biertje te bevestigen. Wat is dat toch tussen mannen, dat vrouwen altijd weer verknoeien met intriges en achterklap. Echte vriendschap lijkt uitsluitend aan mannen voorbehouden, waarbij mannenliefde nog geen herenliefde hoeft te zijn. Het moet een oeroude lotsverbondenheid zijn, een stil wederzijds weten dat zij voor de harde taken des levens opdraaien, van het doden van holenberen tot het bombarderen van IS , waarbij loyaliteit en solidariteit van levensbelang zijn. De man ontvangt daarvoor niet de gepaste waardering van zijn vrouw, maar dient wel haar wispelturigheden te verdragen. Zoiets.
Weer een lachsalvo. Lachen lucht op. Ik betreur het weleens vrouw te zijn, wat niet betekent dat mijn voorkeur uitgaat naar het potspel.
Ik vind een stoel vrij aan de ellenlange leestafel waar iedere Einzelgänger makkelijk aanschuift. Tegenover mij zit een corpulente man, verpakt in een trui met vrolijk, maar ernstig mislukt Mondriaan-dessin. Hij stort zich op de dampende saté die Bep hem zojuist heeft voorgezet. Zonder op of om te kijken propt hij stukken vlees in zijn mechanisch malende toet die de treurigheid draagt van een afgedankte teddybeer. Ik houd er niet van om van nabij vreemdelingen te zien eten, altijd bang dat de half vermalen hap plots ongevraagd in zicht komt, maar ik kan mijn aandacht nu niet wegsluizen.
Uitbaatster Joanna zet mij een royaal glas wijn voor. De man steekt zijn vinger naar haar op: ‘Nog zo’n portie, graag, … om mee te nemen.’
Joanna aarzelt, het is hier geen afhaalcafé, maar ze knikt, horecavrouw met een hart.
Nieuwsgierigheid wint het van mijn opvoeding: “Was het zo heerlijk?”
De man kijkt mij taxerend aan: “Het is voor mijn vrouw.”
“Kon ze niet meekomen?” vraag ik quasi-meelevend.
De man lacht schamper en loert vragend naar zijn biertje of hij zal doorgaan.
“Ik moest koken vanavond. Nasi bij De Dirk gehaald en bevroren saté-stokjes in zakjes. Moest in kokend water. Zakjes knapten. Me-vrouw woest.”                      
Ik lach voluit, sociaal onvaardig misschien, maar het is hier café tenslotte.                  
Hij lacht mee, als een boer met kiespijn.
Zijn bestelling is klaar en ik wens de man ‘sterkte thuis’.
Aan de lange tafel hoor ik: “Mannen, we gaan naar het Rijksmuseum!”                   
Het plan wordt met Britse-Lagerhuis-hoon begroet. “Joost moet weer cultureel doen, hoor! Weet je nog in Turkije? Wij allemaal lekker luieren aan het zwembad, komt Joost aan met een cul-tu-re-le dagtrip! Kansloos!”      
Bulderend gelach. Joost gaat onverdroten door: “Met of zonder de meisjes?”              
Drank maakt overmoedig, de mannen voelen zich inmiddels jongens dus dat promoveert hun vrouwen tot meisjes. Heerlijk thema, blijkt: een kakofonie van voors en tegens barst los. Een discussie met voorspelbare afloop: zónder!
Even later pak ik mijn jas van de kapstok bij de ingang. Hier stond ooit de piano waarop Lammert Glaser destijds elke binnenvallende vrouw een ode bracht, zodat zij als schoonheid de kroeg betrad.                                                                                                      
Ik zwaai naar de jongenstafel. Ze zwaaien uitbundig terug alsof ze al in hun bus op schoolreis zitten. Even voel ik mij ook een meisje.
Als ik mij omdraai zie ik ineens de trui. Verscholen achter een brede rug hangt het hoofd als in een strop boven het doodgeslagen biertje. Op zijn linkerschouder verstoort een bruine streep het Mondriaandessin: satésaus.
Hij had zijn portie gehad én … gekregen.