• Bel: (0548) 859 690
  • info@nelettavanheuven.nl




Zaterdagochtend. Marktdag, dikke krant en een zee van tijd. Heerlijk.
Eerst maar eens naar de markt. Hoe vroeger je er bent, des te korter het
wachten op je beurt. Ergernis over voordringende haaibaaien beperk je zo tot
een minimum.
Het is bovenal de serene zaterdagochtendsfeer in de nog onbezoedelde
winkelstraten die mij de deur uit lokt. Een pas geboren zonnetje landt teder op
mijn huid.
Mijn zomerhakjes ketsen vrolijk op de kinderhoofdjes en echoën tegen de oude
stadspanden.
Een winkelier schikt fluitend zijn nering op planken en schragen- natuurlijk
boeken in deze boekenstad- en onderbreekt zijn zang om mij te groeten. Ik
slinger door nauwe straten naar de markt. Op de hoogte van V&D voorbij de
tassenuitstalling slaat het noodlot toe.
Bij de kledingkraam staat een echtpaar dat me al bij de eerste aanblik zozeer
vervult van mededogen, dat ik mijn boodschappenlijstje vergeet en neerplof op
de eerste de beste terrasstoel. Het drama ontvouwt zich nu op nog geen vier
meter van mij vandaan.
Het zijn Jan en Truus, zeg maar de Henk en Ingrid van Deventer.
Onder toeziend oog van Truus heeft magere Jan zich in een spiksplinternieuwe
broek gehesen. Truus is opgebouwd uit een drieverdiepingen tellende
drilpudding balancerend op gedraaide bolpootjes. De met rode extensions
opgeleukte haardos waaiert als een indianentooi rond haar gezonnebankte
gezicht, dat duidelijk op onweer staat.
“Wat doe je nou, Jan!”
God bewaar me, die stem! Alsof je met een staalborstel over een wasbord
krast.
Jan sjort en trekt, terwijl de zweetdruppels van z’n voorhoofd rollen.
“Ja, nou, dit lukt niet, zo!” sputtert hij nauwelijks verstaanbaar tegen.
Je moet weten, dat hij deze nieuwe korte broek over zijn eigen lange broek
heeft aangetrokken.Ja, op de markt is je gulden een daalder waard omdat ze
zich bijvoorbeeld de extra kosten van een pashokje besparen.
“Kom op, man, stel je niet aan!”
Jan richt zijn gelaat, dat jarenlange zwijgdiscipline verraadt, ten hemel, terwijl
Truus met verrassend beweeglijke worstvingertjes de vakantiebroek op z’n
plaats weet te kruien.
Haar lichaam zweet zich de tering. Oksels, ruggengraat, boezemgeul en liezen
kleuren de zwarte viscose jurk aardedonker.
Ze stapt nu een halve meter achteruit om het behaalde resultaat te evalueren.
Jan staat vastgelijmd aan de straatstenen. Uit zijn ogen is alle licht verdwenen.
Als Truus’ vorsende blik blijft hangen bij Jan’s geplaagde kruis trekken haar
mondhoeken vervaarlijk laag naar de grond. Zit het daar te strak, vraag ik me
onwillekeurig meekeurend af, of komen bij Truus wraakgevoelens boven over
mislukte liefdesexercities? De ontevreden tronie waarmee zij Jan’s
pielemuisdomein monstert wijst hoe dan ook op een zware kruisgang.                  
Hoe goed een huwelijk ook kan zijn in woonkamer en keuken, de slaapkamer
vertelt soms een heel ander verhaal.
“Nee!”, luidt dan plots het eindoordeel, “… dit is niet wat! Trek maar weer uit!”
Truus begint onstuimig in het rek te graaien en te schuiven. Door, door, door,
niets deugt!
“Godsamme! Zit ik hier mijn tijd te versjteren!,” krast ze nijdig, maar haar grijns
verraadt hoe ze heimelijk geniet van dit zoete machtsspel.
Intussen staart Jan verstijfd voor zich uit met ogen die niets meer zien. Waar is
de tijd gebleven toen hij nog zeggenschap had over wat hij wel of niet aantrok?
Dertig, veertig jaar geleden? Ach, maar was het toen niet zijn moeder die door
de rekken ritste en voor hem besloot? Ineens herinnert hij zich de foto met het
matrozenpakje, scheiding in het briljantiene haar en de blik gericht op het
vogeltje dat niet kwam.
“Trek die broek nou uit!” raspt Truus, terwijl ze een ruk geeft aan het
afgekeurde exemplaar.
Dit kordate optreden brengt Jan weer tot zijn positieven. Tergend langzaam
begint hij zijn opgedrongen huid af te stropen. Hij neemt daarbij de houding
aan van een hond die zijn behoefte doet.
Als hij zich wil oprichten hangt er een nieuwe broek voor zijn neus. Een
driekwart broek.
Zo een met camouflagevlekken, zakken overal en nergens en ja, je mag het
geloven of niet … touwtjes in de kuitzoom!
Camouflage past wel bij Jan, maar als hij zijn linkerbeen optilt om in de
linkerbroekspijp te piepen, voelt hij plots het touwtje om zijn strot … Jan
wankelt … en vált!
Jan valt met zijn volle gewicht tegen het kledingrek, dat op zijn beurt Truus
aantikt en in zijn val meesleurt. Truus begint te gillen als een speenvarken en
tuimelt op het rek achter haar. Het domino-effect zorgt ervoor, dat in een mum
van tijd de hele kledingtent plat komt te liggen. Eén grootse, kleurrijke
lappendeken waaruit twee bolpootjes omhoog steken die woest in het
luchtledig trappen.
Helemaal vooraan ligt Jan met wijd uitgespreide armen, zijn handen aan
weerszijden vastgeklampt aan de kledingrail, zijn gezicht vertrokken van angst
en afgrijzen.
Gekruisigd.
Als in de film vlak voor het sterven flitst voor Jan’s geestesoog zijn huwelijk met
Truus voorbij. Hoe zij hem inpalmde en paaide … en hij geen NEE kon zeggen.
Al gauw het klagen over zijn sobere salaris, de vloedgolf familieleden die
onaangekondigd de keukendeur binnenstroomde, het getier wanneer hij zich,
voor zijn geestelijk welzijn, terugtrok in zijn schuurtje, het hemeltergend
gezwoeg om Truus met gevaar voor castratie dan wel verstikking tot enig gerief
te voeren. Hoezeer hij ook zijn best deed, nooit was het goed of genoeg, de
vernederingen.
Ik schoot uit mijn stoel en pakte Jan stevig bij zijn polsen.
Zijn ogen sloegen open. Hij keek me aan vanuit een ijle verte.

“Wordt wakker, Jan. Vandaag is de dag: sta op en wandel … weg!”

Maar ik zei het niet. Want menigeen verkiest een gevangenis, hoe benauwend ook, maar waarin je weet wat je hebt, boven de onzekerheid die “vrijheid” heet.