• Bel: (0570) 619 561
  • info@nelettavanheuven.nl




Na wat ongericht gefrommel trekt Hendrik de rode boerenzakdoek uit zijn rechterbroekzak omhoog, aan één punt, langzaam, alsof hij een goocheltruc uitvoert. Maar dat is het allerminst. Vandaag valt er niets te foppen of te lachen. ‘Godsamme, wat een bloedhitte’, mompelt de jurist. De rode lap absorbeert het zweet van gezicht en hals. Gewoontegetrouw snuit hij er ook nog in en wurmt dan de vlag terug in haar huls. Zijn mond blijft open hangen alsof de toevoer van zuurstof via zijn neusgaten is gestagneerd. ‘Dik zijn is een zwaar lot’, verzucht hij; er is toch niemand die hem hoort. Hendrik’s ogen vliegen kriskras over de plattegrond van Deventer: waar ligt die verrekte Kromme Kerkstraat waar Daan al 30 jaar dienst doet als huisarts. Deventer of all places. Zijn studievriend heeft zich met een bescheidener metier moeten verzoenen dan ooit zijn ultieme droom was, die van internationaal gevierd chirurg. Ah! Hier sta ik, voor het Centraal Station en daar ligt de Kromme Kerkstraat, parallel aan de Zwolscheweg. Dus nu eerst De Singel op en dan zo en zo. Hm, nog een heel eind voor dit Oblomoviaanse lijf. Die Daan … ‘Bolle’, placht zijn corpsmakker liefkozend te brallen, telkens na liters bier, ‘niet getreurd, jongen, jij bent je gewicht in goud waard!’ Nou, dat gewicht was met de jaren, net als het goud, fors in waarde gestegen. Hij trekt zijn aktetas vol paperassen omhoog en sjokt naar de overkant waar stoplichten energiek van rood op groen en van groen weer op oranje en rood springen. Voor niets en niemendal. De straten zijn volkomen verlaten, als in een Wild West stadje vlak voor de slotscène. Niemand wenst zich blijkbaar aan deze moordende zon bloot te stellen. Daar is een straatnaambordje: Singel. Klopt! De Singel eerst uitlopen en het water aan zijn rechterhand houden. Daan zal wel in zijn achtertuin aan het bier zitten. Hendrik kan zich dat prototype corpsbal niet eens voorstellen zónder een glas bier in zijn hand. Koud biertje, daar ziet hij nu halsreikend naar uit. Dus niet meteen met de deur in huis vallen, want dan kon hij wel naar die versnapering fluiten. Eerst de ouwe jongens krentenbrood begroeting. En dan zorgvuldig het moment kiezen. Bocht om en dan weer meebuigen. Goddank, hier brengen platanen enige verkoeling. Hij zwenkt een paar passen naar links, het fietspad op, er is toch geen fiets te bekennen. Onnodig zwaar zijn tas. Meer dan de helft is niet behandeld tijdens de vergadering, de voorzitter had er geen zin in of hij werd door zijn vrouw gebeld: ‘Guido, de witte wijn staat klaar.’ Hendrik had staan turen naar het vertrekbord op Centraal Station Utrecht toen Deventer ineens voorbijschoot. Toen was het gebeurd: dit is je kans, resoneerde het in hem, grijp ‘m. Er was vanaf dat moment geen weg meer terug, niets kon hem nu nog van zijn missie afhouden, ook deze hitte niet. Hij pauzeert even om zijn zakdoek, wederom aan een punt, tevoorschijn te toveren. Veel absorptievermogen zit er niet meer in. Dat zijn allerbeste studievriend hem dit heeft kunnen aandoen! Hij voelt straaltjes vocht tappelings langs zijn ruggengraat druppelen, maar daar kan zijn zakdoek niet bij. Wanneer precies was het gebeurd, waar en hoe? Greet had na haar vreselijke bekentenis de lippen stijf op elkaar gehouden, als een bedorven oester in kokend water. In één zin had ze hun huwelijk naar de Filistijnen geholpen, één zin! Hij snuit nog een keer, zonder noodzaak, en duwt de lap weer terug. Hendrik plant zich hijgend voort waarbij zijn hoofd steeds verder voorover zakt. Greet. Zijn Greet, wie had dat ooit kunnen denken! Die stille muis, die brave studiedoos! Een geile meid had hij nooit in haar kunnen ontdekken, hoefde voor hem ook niet. Keurige UVSV-ster nota bene! Het kon er bij hem niet in. Maar toen Greet begon te janken en hikte dat ze niet verder kon leven met dit afschuwelijke geheim, moest hij het wel onder ogen zien. ‘Van wie ging het uit, nondeju!’ had hij geschreeuwd, maar Greet’s huilbui had haar spraakorganen volledig uitgeschakeld. Later wou ze er niets meer over zeggen, geen woord! Omdat hij had geschreeuwd. Eindelijk: spoorviaduct in zicht. Daarachter de rotonde, derde afslag. Vlak voor de brug hoort hij het aanzwellende gegil van een naderende trein. Hij houdt zijn pas in. Nog altijd is hij als de dood om pies, poep of braaksel van een pissende, poepende of brakende treinreiziger over zich heen te krijgen, al weet hij allang dat zoiets niet meer kan gebeuren.. Derde afslag. De Zwolscheweg, waarin hij nu voort kruipt, wordt geflankeerd door keurige en fleurige voortuintjes. Deze herenhuizen hebben wel iets van de allure van zijn eigen Haagse straat. Achter de hoge ramen prijken paren reuzenvazen met kunstbloemen, de aandoenlijke wirwar van echte plantjes is allang uit het straatbeeld verdwenen. Zo niet de vitrages boven, die nog altijd aan buurt-ogen onttrekken wat menig noodlijdend huwelijk aan compensatie vermag uit te vreten. Was het achter de gordijnen van Greet’s studentenkamer gebeurd? In het eenpersoonsbed waarin Greet en hij hun eerste onbeholpen handelingen … Was dat de reden … zijn klunzigheid? Ja, die Daan wist waarachtig wel hoe hij de meisjes moest plezieren, dat stond in kapitalen op zijn gladde charmeurskop geschreven. De hele UVSV viel in katzwijn als hij binnenkwam. Zo niet zijn Greet! Die noemde hem een kakker, flapdrol, blaaskaak, bullebak, schuinsmarcheerder en zelfs narcist. Zo vol afschuw, dat hij het zelfs moest opnemen voor zijn vriend, tegenover Greet. Of waren die scheldwoorden even zoveel schermen om aan het zicht te ontrekken wat ze met hem had uitgespookt? Schuinsmarcheerder, wist ze dat uit eigen ervaring? ‘Heb je ervan genoten?’ had hij na dagen zwijgen en een fles Laphroaig ineens geroepen. Greet was naar boven gestampt en had de slaapkamerdeur dichtgesmeten. En vergrendeld. Vanaf dat moment had hij zijn jongeheer, bij wiens taken hij al jaren slechts op de tast assisteerde, op non-actief gesteld. Zijn toch al niet zo intensieve dienstverlening aan Greet werd gereduceerd tot noodzakelijke lozingen tijdens het douchen. Aanstonds zou hij alles uit Daan trekken, hij moest het weten, alle details, anders kwam hij nooit van dat tergende getob af. Sinds twee jaar kolkte een almaar toenemende vragenvloed door zijn hoofd, stapelgek werd hij ervan. Sint Jurriënstraat, die moet hij in. En dan komt al gauw de Kromme Kerkstraat. De angst slaat hem ineens om het hart: wat als Daan alles ontkent? Hij hoort de bon-vivant al bulderen: ‘ Maar Bolle, beste kerel, hoe kom je daar nu bij! Ik ... met die bedeesde Greetje van je? Dat geloof je toch zelf niet, man. Ik had dametjes bij de vleet, weet je nog. Lekkere meiden van de Nieuwe Vereniging, dat wist je toch. Nee, beste vrind, dat heeft ze gedroomd en, ouwe makker van me, dát mogen we haar niet kwalijk nemen, wij hebben natuurlijk ook zo onze jongensdromen na 30 jaar sleurhuwelijk’. Wij…? Christus, dit loopt dood op het spoor. Even denken, hoe was het ook al weer? Hij is te ver, hij was er met zijn gedachten niet bij. Nu terug en dan rechts. Het bordje Kromme Kerkstraat verbergt zich onder blauwe regen. Dit is dus zijn straat. Scheef lopende straat. Geen kip te bekennen. Linker- of rechterkant? Huisnummer 13 zoeken. Drie. Verderop rechts, dus. Na een paar passen blijft hij staan. Hij moet nadenken. Kon Greet het hebben verzonnen? Een dromerig type was ze altijd wel geweest, ja, maar dit was toch van een kaliber dat zich onmogelijk liet inbeelden. Misschien zit er iets heel anders achter: is de valse noot die ze kraakte haar prelude op een echtbreuk. Gebruikt ze Daan als knuppel in het hoenderhok. Heeft ze daarom geen details. Oh god … Greet wil van hem af. Zijn rechterhand zoekt een puntje en terwijl hij het vrolijke boerendessin tevoorschijn hijst, realiseert hij zich plots dat deze vreemde gewoonte twee jaar geleden is begonnen, alsof hij bij het fatale verlies van controle over zijn huwelijkse leven zo nog een schijntje beheersing behield, zij het slechts over zijn banale zweet- en snuitleven. Hij laat de natte doek in zijn zak. Het vocht begint voorzichtig door zijn broek heen te breken; hij ziet het niet. Het moest wel zijn gebeurd vlak voor zijn afstuderen, nadat ze zich hadden verloofd, godbetert. Was dat de ultieme uitdaging geweest voor die narcistische Uitenthuis? Zijn boosheid begint zich nu weer op zijn vriend te richten. Voelt een stuk prettiger. Hendrik zet zich langzaam in beweging, als een vadsige tijger die zijn prooi besluipt. Het asfalt onder zijn voetzolen lijkt gesmolten. Opperste concentratie is nu geboden. Eerst de Poetin-omhelzing, dan het biertje en dan … nee, geen zinnen verzinnen nu, gewoon recht voor de raap straks, wat er ook maar in hem opkomt. Een lichte misselijkheid bekruipt hem als hij het huis ziet staan. Keurig statig notabelenhuis. Zware donkergroene luiken en voordeur. Zo te zien een lommerrijke achtertuin. Het grint knarst als een koor spreeuwen. Zijn brooks zakken er in weg alsof hij zich op drijfzand begeeft. Even doet hij een poging naar zijn schoenen te kijken, maar ook die heeft hij van boven af al jaren niet meer in het vizier gekregen. Concentreren nu. Een ouderwetse trekbel. Die oorverdovend op zijn trommelvliezen slaat. Doodse stilte. Dan … voetstappen op een trap, steeds luider. Hendrik grijpt naar zijn zakdoek, maar laat ‘m in z’n hok. Niet het flauwste vermoeden heeft hij, dat deze rode lap hem binnen een half uur de das om zal doen.

Daan wordt door de snerpende schel van de bel wreed weggerukt uit het heerlijke gesprek met zijn lief. “Schat, er wordt gebeld, ik ga even kijken, blijf aan de lijn”. “Maar je hebt toch geen dienst vandaag”, klinkt het aan de andere kant. “Nee, maar daarom ga ik nog wel kijken! Hang maar op, ik bel je zo terug”. “Niet te lang wachten, lieverd, want dan kan Hendrik al weer thuis zijn”. Lekker wijf, die Greet, alleen begrijpt hij niet waarom ze er zo donders lang over doet om bij die Bolle weg te komen. Hij had de afgelopen jaren al vele strategieën aangereikt, maar ze deinsde steeds weer terug als een schichtig paard voor hindernis Hendrik. Als hij door het glas-in-lood raam boven de voordeur de contouren van zijn onverwachte gast ontwaart parelt het klamme zweet in een mum van tijd op z’n voorhoofd, zijn hart bonkt als een wildeman in zijn keel. Kalm blijven, Uitenthuis, de Bolle weet van niets. Gewoon oude jongens krentenbrood doen. Hij trekt met een brede zwaai de deur open en zet een blij verrast gezicht op. “hé Bolle, ouwe makker, wat doe jij hier? Wat een verrassing, kerel!” Ze slaan elkaar lachend en als rechtgeaarde Russen op de schouders. “Wat brengt jou hier in deze bloedhitte!? Toch niets ernstigs, hoop ik?” De zenuwtrekken op Bolle’s gezicht verhoogt zijn eigen spanning. “Ik was vroeg klaar met een vergadering in Utrecht en zag Deventer op het reisschema staan en dacht toen … hoe zou het toch met die ouwe charmeur gaan en zie: hier ben ik. Heb je een biertje koud staan, dokter, ik verrek van de dorst”. Daan wijst Hendrik zijn schaduwrijke tuin en gaat bier halen. Vanuit het keukenraam ziet hij hoe Hendrik afgepeigerd in de rotanstoel van zijn vader ploft, die vervaarlijk kraakt als hij zich herschikt. Gewoon gezellig borrelen, neemt hij zich voor. De Bolle is een goeie sul, hij kan er ook niets aan doen dat hij nou eenmaal niet moeder’s mooiste is. Hoe heeft Greet het zolang bij hem uitgehouden. Maar goed, ze haalt de schade sinds twee jaar aardig in. Wat een geile donder die Greet. Meteen maar vier flesjes meenemen. Alle tijd straks om Greetje terug te bellen. “Hé Bolle, vertel!” Een uur later en tien flesjes leger zit de stemming er goed in. Het komt dan ook als een klap bij heldere hemel als zijn ouwe makker ineens naar hem over buigt en hem doordringend aankijkt. Hendrik’s woorden vallen als granaatappels in het gras. “Zeg eens, Uit-en-thuis, heb jij mij des-tijds be-don-derd met Greet?” Alle scenario’s flitsen door Daan’s hoofd: welke heeft Greet gevolgd, wat heeft ze wel, wat niet gezegd? Nu ontkennen zou dom zijn, want dat zou hun scheiding alleen maar vertragen. Hendrik moet er toch een keer aan geloven. Dan maar nu. “Ja, …eh, sorry, maar het was de flower power tijd weet je nog? Iedereen deed het met iedereen”. Daan ziet hoe zijn ouwe vriend vuurrood aanloopt en naar adem hapt. Een vileine stem in hem zegt: doorpakken nu. “En trouwens, beste vrind, het is nooit helemaal overgegaan: we hebben sinds kort besloten samen verder te gaan”. Als Greet het niet dorst, dan hij maar.

Hoe had hij de gevolgen kunnen overzien? Zijn rivaal belandt in een acute paniekaanval. Zoals velen in zo’n situatie, denkt ook Hendrik dat hij ten prooi is aan een hartinfarct. “Help, m’n hart!” piept hij als een krijtje op het schoolbord. Wat moet hij nu in godsnaam doen, de dokter in hem vecht met de minnaar. Iets in Daan brengt hem er toe het scenario van Hendrik’s eigen diagnose te volgen; hij zal de regie daarvan dan zelf ter hand moeten nemen. Als de wiedeweerga haalt hij een spuitje uit zijn vergrendelde praktijkkast, stroopt Hendrik’s gestreepte overhemd omhoog en jaagt de vloeistof in zijn linkerarm. “Rustig, Bolle, dit zal je verkrampte hartspier ontspannen.” Zijn vriend is niet in staat tegen te sputteren. Terwijl Daan toekijkt hoe zijn makker wegzakt, ziet hij het puntje van een zakdoek uit de broekzak piepen. Het ene idee volgt soms mathematisch op het andere. Hendrik ligt er als een levenloze reuzenlappenpop bij, maar, het zekere voor het onzekere nemend, trekt Daan met duim en wijsvinger, aan één punt, de natte lap uit de ribbroek en legt ‘m behoedzaam om Hendriks hals. Hij trekt het rode wurgkoord net niet te hard en net niet te zacht aan. Lap vanavond verbranden op de barbecue. Als hij geen pols meer voelt, brengt hij zijn lippen vlak boven de open gevallen mond van zijn gesneefde studievriend. Even aarzelt hij, op zoek naar de artsenmodus in hemzelf. Dan, met de sluwheid van een seriemoordenaar, drukt hij duim en wijsvinger op de neus en mond op mond, terwijl zijn andere hand even rust op het brede borstbeen. Zonder te blazen of te drukken richt hij zich weer op en valt achterover in een krakende tuinstoel. Precies tien minuten later belt hij de Spoedpost. Niet veel later komt de ambulance met snerpende sirenes voor zijn huis tot stilstand. Op dokters toon verzekert hij de broeders dat reanimeren geen zin meer heeft; had hij zelf immers al uitgevoerd, tevergeefs. In zijn open Saab cabrio volgt hij de ambulance naar het ziekenhuis. Als vanzelfsprekend en volkomen gevoelloos schrijft hij zelf het doktersrapport: hartinfarct met dodelijk gevolg. Zodra hij weer thuis is, belt hij zijn geliefde.

“Schat, ik heb slecht nieuws én goed nieuws, welke wil je het eerst horen?”