• Bel: (0570) 619 561
  • info@nelettavanheuven.nl




Kerstavond in Thermen Bussloo

Wat onze ouders ons van kind af aan inprenten raken we ons leven lang niet meer kwijt. Totdat je flink gaat dementeren. Maar zover is het helaas nog niet.

Mijn moeder verzekerde mij altijd dat Kerstavond de belangrijkste avond van het jaar is, heiliger dan beide Kerstdagen samen. Dat bevestigde mijn vader door de kaarsjes van onze plafondhoge kerstboom pas op die avond plechtig aan te steken. De stok met natte spons stond paraat en de platenspeler bracht ‘Stille nacht, heilige nacht’ ten gehore. Mijn moeder las vervolgens een mierzoet en oersaai kerstverhaal voor. O wee, als we onze mond open deden.

De inprenting die ik het hele jaar door te horen kreeg, meestal als ik bedroefd was en snakte naar een arm om me heen,  was: “Am Ende bist du wie du bist … allein!” Wellicht om mij voor te bereiden op het onvermijdelijke.

Laat nou op dit moment beide wijsheden samenvallen: het is de belangrijkste avond van het jaar, kerstavond, en ik ben alleen. Nee, niets zieligs aan, ik heb geleerd mij er op in te stellen. Errazuriz carmenere ontkurkt en het Weinachts-Oratorium van Bach schalt door mijn kaarsverlichte kamer.

Koningin Wilhelmina was “Eenzaam, maar niet alleen”, ik ben ‘Alleen, maar niet eenzaam.’ Dan ben je heel wat beter af.

Help, daar gaat de telefoon. Vroeger ook altijd de gehate stoorzender. Moest mijn vader weer de nacht in. Naar een boer met brandwonden omdat hij de stok met spons niet had kunnen vinden of een vrouw in barensnood.

Het is Barend, een eenzame ziel, want Barend kan niet alleen zijn. Of ik meega naar Thermen Bussloo. Hij heeft met Sinterklaas een Kerstarrangement voor twee personen cadeau gekregen en het leek hem wel iets voor mij.

“Geen sprake van,” protesteer ik, ”ik haat menigten en het idee mij naakt te moeten begeven onder een doorgewinterd, glurend en zwetend saunapubliek jaagt me doodschrik aan.”

“Wat een onzin, Neletta, niemand kijkt daar naar elkaar. Iedereen is daar alleen met ontspanning en zichzelf bezig.”

“Precies, een erg onchristelijke manier van doen,” verstevig ik mijn weigering.

“Nee, Barend, ga maar alleen naar die baarmoeder, er zijn daar tweelingzusjes en -broertjes genoeg. Ik zie het als een ontheiliging van de Kerstavond.”

Barend geeft niet op. “Heeft Onze Lieve Heer ons niet geschapen in Adam en Eva kostuum? Jouw argumenten zijn godnakend schijnheilig, weet je dat?”

Au! Schijnheilig is wel het laatste wat ik wil zijn. Ik wankel. Ach, waarom ook niet. Als ik Barend er een plezier mee doe. Een menslievende Kerstdaad: alleen- staande niet eenzame vrouw staat alleenstaande maar eenzame man terzijde.

“Nou, vooruit dan. Maar als ik een bekende zie ben ik meteen pleite, oké?” 

Even later rijden we de parkeerplaats van Thermen Bussloo op. De reusachtige verlichtte kerstbomen stellen me gerust: er wordt hier wel degelijk kerst gevierd. In de aankomsthal slingert Bing Crosby zijn Jingle Bell’s om m’n oren.

Enfin, ik ben hier nu, er is geen weg terug.

Barend loodst mij naar de uitkleedzaal met kluisjes voor de kleren. Hij begint zich routineus te ontkleden terwijl ik stokstijf aan het overwegen ben ‘wat eerst en wat laatst’ zo … dat ik mij minimaal blootstel aan ongewenste gluurders.

Zelf durf ik niet op of om te kijken, overal angstaanjagend blote ‘lijven’.

Ik hou niet van het woord ‘lijf’, het is me te lijfelijk en te feministisch. Vrouwen die moeiteloos ‘lijf’ zeggen hebben vast ook geen enkele moeite om zich hier onbekommerd bloot te geven.

 “Vooruit Neletta, komt er nog wat van?” Barend staat in vol ornaat voor me alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Het lukt mij maar net mijn ogen op ooghoogte te houden.

Als ik mij van boven heb ontbloot, hul ik mij bliksemsnel in mijn badjas; nu de rest nog. Even kijk ik schielijk rond of niemand mij ziet. Mijn ogen vallen pardoes op een niet te ontwijken want fors uit de kluiten gewassen klokkenspel van een exotisch getinte man. Een hardnekkig vooroordeel is hiermee bewaarheid. De Waarheid, daar gaat het om, op kerstavond.

Hé, ook zijn edele delen zijn exotisch getint. Nooit geweten. Handpalmen en voetzolen zijn immers … “Neletta, schiet nou op!” Dan: “Gaat het, Neletta?”

Ik: “Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens, maar verder alles kits, Barend!”

Bij het uittrekken van mijn slipje blijf ik met mijn linker teentje haken.

Barend weet mij maar net op te vangen. Wie hier wie helpt wordt steeds vager.

Dan gaan de poorten van de hel open. We sluipen een hete bedompte ruimte binnen. Een warme eucalyptus mist, waarin tal van lichamen zich bewegen… alsof ze hier thuis horen. De baarmoeder.

Waar laat ik in godsnaam mijn ogen. Ik kan ze niet verstoppen.

“Kom, Neletta, eerst douchen.” Ik glibber op slippers achter Barend aan en probeer tijdens het douchen niet te kijken hoe een man naast mij zich tot in zijn kruis aan het kuisen is. Een kruisgang is het nu al voor mij, maar ik klaag niet.

Het is Kerst.

We betreden een grote hal die het kruispunt blijkt te zijn van allerhande zweetcabines. Voor ons ligt een dampend zwembad van waar uit je naar buiten kunt zwemmen.

“Ga jij maar zweten, Barend, ik ga zwemmen.” Het warme water bedekt mijn schaamte; enig gevoel van veiligheid keert terug. Buiten is het nog drukker dan binnen. In de jacuzzi’s is het dringen geblazen. Te veel oliebollen in een frituurpan. Mij dus niet gezien.

Ik zwem terug naar binnen en wentel mij op m’n rug.

Ik kijk mijn ogen uit, zogenaamd zonder iets te zien, zo relaxed mogelijk.

Alles is hier geaccepteerd, als je het maar volkomen relaxed doet.

Mijn ogen volgen een vleselijke optocht van moddervette tot broodmagere lichamen, van wonderschone tot oerlelijke, getooid met tierlantijnen in alle soorten en maten.  

Dan valt mijn oog op een jonge vrouw met slechts één borst. Allemachtig, zij durft! Ik voel deernis en schaamte … over mijn eigen gêne om mij te vertonen. 

Midden in de hal staat een uitgeholde wasemende zuil waarin het regent.

De hemelshoge zuil zuigt al mijn aandacht naar zich toe.  

Als de warme regen stopt en de damp verbleekt, verschijnt als uit een wolk  een graatmagere man met weelderig lang haar, een baard tot aan zijn borst.

Ik krijg een schok. Verbeeld ik het mij of voltrekt zich op deze heilige avond de Wederkomst van Christus. Uitgerekend hier in het Walhalla Thermen Bussloo. Nou ja, Jezus zocht wel vaker zondige oorden op en nergens staat geschreven wáár Hij zal wederkeren, alleen dat het op een wolk zou zijn. Wel, vrij geïnterpreteerd is Hij hier uit een wolk nedergedaald. De man heft zijn armen even ten hemel en dan zijwaarts, kruislinks, als om alle twijfel uit te roeien.

Zijn ogen zijn als zachte laserstralen op mij gericht.

Er stroomt een gloeiend hete lavastroom door mijn aderen die bergafwaarts een gevoel van diep berouw en intens verdriet meesleurt. Wat gebeurt mij hier? Het is of mijn leven in een flits voorbij schiet, waarin ik alle momenten van falen, foute keuzes en vertwijfeling in één grote smeltkroes gewaar word.

Dikke tranen stromen in het zwemwater en benemen mij het zicht op de man die dit teweegbrengt. De man die mij met zijn blik doorboort en alles van mij schijnt te weten. Ik stamel ‘mea culpa, mea culpa’, omdat Hij mij anders misschien niet verstaat. Nu is de voertaal Engels, maar toen was het Latijn.

Als mijn ogen het weer toelaten is de man verdwenen. Al die mensen, als zombies op zoek naar hun genots-cabine, schuifelen daar nog net zo.

Alsof ze niets gemerkt hebben. Ook in deze tijd wordt de Zoon des Mensen niet herkend.  

Er waadt een rood opgeblazen kreeft in mijn richting. Het is Barend.

“Heerlijke opgietingen gehad. Kom, we gaan nu aan de wijn!”

Even later klinken we met een heerlijke Salentijn Malbec op onze Kerstavond.

Om ons heen hangen saunajunks in badjas languit vretend en zuipend op de banken. Ze liggen als heuse Romeinen aan aan het banket. Romeinen die 2017 jaar geleden alle pasgeborenen in heel Galilea vermoordden. Jezus lag verstopt in een kribbe, waar de os en de ezel zorgden voor warme dampen.  

“En,” begint Barend terwijl hij op een olijf kauwt, “nog een bekende gezien?”

“Uit een ver verleden, ja.”

 “Maar je bent er nog. Wie dan?”

“Jezus.”

“Sjesus, Neletta, doe normaal!”

“Geloof jij in God, Barend? “

“Nee, natuurlijk niet, wie nog wel in deze tijd.”

“Waar slaan jouw Kerstdagen dan op?”

“Oh, lekker eten, drinken, relaxen, genieten van de sfeer.”

Ik neem een grote slok Salentijn. Ik voel me plots alleen.

Als een gelovige tussen de ongelovigen. Alleen … niet eenzaam.

De kaarsen branden, uit de luidsprekers schalt een engelenkoor, op tafel staat een voortreffelijke wijn. Wat wil een mens nog meer … op Kerstavond.

Eenmaal weer thuis, schrijf ik een kerstgedichtje.

Kerstavond brengt mij naar mijn diep verlangenKerstavond trekt mij naar m’n diep verlangen

Naar wat o-gen-schijn-lijk niet bestaat                Naar een veilig thuis, nooit opgebouwd          

Wat haast niemand lijkt te zoeken                       Doch altijd blijf ik naar de stenen zoeken

Wat, soms bijna vast, mij weer verlaat                Als een kind dat vader tóch vertrouwt

Neletta van Heuven